Rond mijn dertiende begon mijn lichaam echt vrouwelijke trekjes te vertonen. Ik was niet dik, maar had wel echt borsten en heupen. Zelf vond ik dat prachtig, maar mijn moeder vond het niets. Vanaf toen zei zij mij regelmatig dat ik te dik werd, en vond ze, dat ik op moest passen met wat ik at.
Dat ik het liefst in lange broeken liep kwam haar goed uit, dat ik ze ook graag superstrak had (wie weet het nog; op de grond moeten gaan liggen om je broek dicht te kunnen maken?) beviel haar dan weer niet. En altijd waarschuwde ze mij, dat ik zo de verkeerde mannen aantrok en in de problemen zou komen.
Pas jaren later heb ik begrepen dat dit samenhing met haar eigen verleden, maar op dat moment was er vooral strijd tussen ons. Veel strijd. Zij kon zelf maar net het hoofd boven water houden en was helemaal niet opgewassen tegen de zich vrijvechtende puber die ik toen was.
Mijn moeder werkte, en na het werk dronk ze. Op de tafel lag iedere dag wat geld en een briefje met boodschappen. Het avondeten werd door mij, en later ook door mijn broer, die een paar jaar jonger was dan ik) gekocht en vaak ook bereid.
Op mijn zeventiende ging ik op kamers. Ik was klaar met mijn middelbare school en om te studeren had ik mijn moeder niet nodig. Dacht ik.
Ik maakte er een behoorlijke puinhoop van. Het was in de jaren zeventig, de hele wereld was in beweging en ik experimenteerde er lustig op los. Ik dronk veel, sliep weinig, en hield me vooral bezig met discussieren, vrijen en actievoeren. Dat lijkt misschien allemaal heel vrolijk, maar in feite voelde ik me verschrikkelijk eenzaam toen.
Katers werden weggegeten met loempia's van de Chinees of met patat-met. Let wel, als brunch. Het laat zich raden dat ik in die periode zwaarder werd dan ik tot dan toe geweest was. Eindelijk had mijn moeder recht van spreken als ze iets over mijn mateloosheid zei.
Natuurlijk liep ik vast met mijn studie en toen ik ook nog een longontsteking opliep ( de kamer die ik huurde was niet meer dan een lattenzolder, waar in de winter het ijs 's ochtends op mijn deken lag) ben ik nog weer een half jaar naar mijn moeder terug gegaan. Dat bleek geen goed idee, onze ruzies laaiden op tot ongekende hoogten.
Daarna ben ik met Leo samen gaan wonen. Ik ging naar de avondschool om na de havo toch nog het atheneumdiploma te halen en overdag werkte ik. We vonden het leuk om samen uitgebreide maaltijden te koken en hadden ook vaak eters. Ons huis was een ideale plek voor onze vrienden om na het stappen nog even te "crashen", aan de rand van het centrum, gastvrij en altijd goed voor nog een afzakkertje onderweg naar huis.
Hoewel ik in die periode wel af en toe een paar kilo's te veel woog was ik zeer beslist niet obees.
Dat kwam eigenlijk pas veel later. We verhuisden naar Maarssen en ik deed een studie, drie avonden per week, vier jaar lang. Leuk, maar hectisch. En regelmatig en gezond eten, daar kwam het niet zo van. Mijn gewicht begon te schommelen, waarbij er elke keer net iets minder af ging dan dat er daarna weer bij kwam. En toen ik in 1992 van Bart bevallen was, woog ik toch al gauw zo'n 85 kilo.
Bart werd heel erg ziek. Zijn longen waren nog niet helemaal ontwikkeld, en bij de geboorte liep hij een infectie op. Met loeiende sirenes werden wij, verse moeder en klein klein kereltje naar het ziekenhuis gebracht. In de ambulance werden zijn voetjes en handen diep donker paars en ik stierf duizend doden, mijn kind had zuurstofgebrek en aangezien ik ook toen al werkte met verstandelij gehandicapten, wist ik vrij aardig waartoe dat allemaal leiden kon, man wat was ik bang..
Twee weken heeft hij in de couveuse gelegen. Waar hij een paar keer een apneu had, en geel werd en afviel, maar ook waar ik zag dat zijn hartslag veranderde op het moment dat hij mijn stem hoorde, en hij de goede kant opging, waar andere kinderen het niet redden. Een bewogen tijd was dat. En toen hij dan eindelijk mee naar huis mocht, deed hij niets anders dan huilen. En de enige manier om hem stil te krijgen, was met hem bewegen. 's Nachts maakten we om de beurt hele ritten met de auto, overdag wandelde ik met hem en de kinderwagen, op en neer naar Breukelen, of naar Utrecht. En als ik dan de het slapende mannetje voorzichtig over de drempel het huis in gereden had, en zelf heel stilletjes naar de bank sloop om even met mijn voeten omhoog te kunnen, kon ik er de klok op gelijk zetten; op het moment dat ik me in de kussens liet zakken, barstte het weer los.
Zulke einden lopen is natuurlijk geweldig voor de lijn, maar ik was zo hondsmoe, dat het eten koken er maar een beetje bij hing. Eten halen was meer regel dan uitzondering. En Leo kon ook niet veel doen, die had net een nieuwe baan voor een Amerikaans bedrijf, waarvoor hij erg veel moest reizen.
Op deze manier gingen de zwangerschapskilo's er natuurlijk nooit af en ik besloot me aan te sluiten bij de Weight Watchers. In een tijdsbestek van vier maanden verloor ik zeventien kilo. En toen ik in verwachting was van Noor, Bart was anderhalf, woog ik 75 kilo, en dat vond ik echt knap van mezelf.
Maar ja. Tijdens die tweede zwangerschap ging het pas echt mis. Vlak voor de bevalling passeerde ik de magische honderdkilo-grens, waar er na Noortjes geboorte nog 98 van overbleven.
Die bleken behoorlijk hardnekkig. En vanaf dat moment ben ik eigenlijk altijd wel bezig geweest met een of ander afvalprogramma: Eerst iets van een fitnessclub met een combi van bewegen en een dieet. Dat ging goed en ik verloor 13 kilo. Alleen, toen het programma gedaan was, vlogen de kilo's er weer aan en de 105 werd bereikt voor ik een tweede WW-poging waagde. Deze keer viel ik 12 kilo af, voor ik vastliep. Van het ene op het andere moment had ik genoeg van het blije amerikaans-getinte bijna religieuze toontje van die club. Ik stopte en groeide weer naar de 110.
Nog veel afvalpogingen heb ik gedaan, van Montignac tot Dikkepretclub, van Soepdieet tot Obesitaskliniek. En ze helpen allemaal. Alleen, het lijkt niet te lukken om het vol te houden. Iedere keer dat ik op eigen houtje verder moet, kruipt het gewicht weer terug en nestelt zich op billen, buik en borsten. Op schouders en vingers, rond enkels en bovenarmen.
En zo komt het, dat ik uitgroeide van een prachtige jonge blom tot een dikke dame. Bij tijd en wijle zelfs een hele dikke dame. Het blijft tobben.. |